Schrijven

Autoloze stad

Toen op een dag
De mensheid was vergeten
Dat auto's auto's heetten
En tuigen vliegen konden
Van Amsterdam naar Londen

Schoot juichend
Op luchtzuiverende dennenolie
Een raket
Een baan rond de aarde
Naar een maan
Als zilverfolie

En rolde onder luid gefluit
Van CS tot aan de Munt
De groenste groene grasmat uit
Die je maar wensen kunt

En koeien loeiden:
‘Aan de kant!’
En draafden op het nieuwe land

Zaden schoten wortel
En wortels gaven bloem
Stuifmeel waaide rond
Toen

Mensen zwaaiden met hun vlaggen
Kleuren van de regenboog
Met om hun monden lachen
De mondhoeken omhoog

En slingerend aan een liaan
Vloog op een hoge C
Een engelachtige sopraan
En iedereen zong mee

Botox lippen
Goed gebekt
Liepen langzaam leeg
Als smeltend ijs op gras
Ik zweeg
Want alles was perfect

In het echt

Ik droom steeds vaker dat ik mail:
Beste die en die
Typ-tab-spatie-enter
Elke mail is me teveel
Ik droom steeds vaker dat ik mail

Ik mail steeds vaker dat ik droom:
Nooit meer mailen
Luchtkastelen
Zwemmen in slagroom
Ik mail steeds vaker dat ik droom

Ik droom steeds vaker dat ik app:
Xie je morgen, smiley kusje
Nog een hartje voor mijn zusje
Tot A.S.A.P.
Droom steeds vaker dat ik app

Ik pen de hemel op papier
Hallo daar, ik ben hier
Ik wil niet appen
Nooit meer zappen
Niet meer swipen
Niks meer liken
Gewoon 
Nu 
Hier
Pen ik de hemel 
Op papier

En in het echt
Is wat er leeft
Een zucht 
Die door de kamer zweeft
Een blaadje vallend van een boom
Geen app of mail
Een droom

                                  



DE BEENVERLENGING

Hij begon er al over bij binnenkomst: ‘Jouw ene been is toch een centimeter korter dan het andere?’ Ik had net een stuk stokbrood met kruidenboter in m’n hand en wilde een hap nemen. Ik wachtte daar nog even mee.
‘Je kan hem gewoon laten verlengen hoor,’ zei hij en gooide nonchalant een handje borrelnoten achterover.
Ik had meteen al geen zin in dit gesprek. Wilde ongestoord wat eten. Iedereen zou iets te knabbelen meenemen. Wij zorgden voor de drank. Hij had niks bij zich. Alleen een grote weekendtas en de overtuiging dat mijn been langer had moeten zijn dan het was.
Ik ben 1 meter 83. Daar is op zich niks mis mee. En ja, het is soms best onhandig, zo’n beenlengte verschil, want mijn rug doet wel eens pijn als ik op blote voeten loop. Daarom draag ik een extra hakje onder m’n hiel. Ben eraan gewend zo. Hij blijkbaar niet, want net toen ik een ander onderwerp aan wilde snijden ging hij toch door:
‘Ze snijden je been hier doormidden..’ Zijn hand maakte een snijbeweging ter hoogte van mijn scheen. ‘Fluitje van een cent dus en het wordt ook nog eens vergoed!’
Een kort: ‘Ik wil het niet, Ron,’ bleek niet genoeg.’ Mijn been moet voor hem erg belangrijk geweest zijn. Terwijl je zou denken dat hij wel wat anders aan zijn hoofd zou hebben.

Even leek hij afgeleid, was het leuk om iedereen na zo’n lange tijd weer te zien en waren er meer benen in de kamer dan ik in mijn broek had. Er werd gedanst op al die benen, er was stokbrood, er was kruidenboter en verder was er even niks. En toen het tijd was weg te gaan en mijn collega en ik de vloer met twee moppen onder handen namen, bleven een paar mensen nog plakken met hun verhalen over onrecht en rechtszaken. Wij probeerden ze de zaal uit te dweilen samen met de laatste restjes nibbits.

Met tassen en een hoofd vol stond ik even later bij mijn fiets. Het was al donker. Ik wilde niets liever dan naar huis. Maar daar verscheen hij weer. Of ik het toch ècht niet wilde overwegen een beenverlenging te ondergaan.
‘Liever niet,’ zei ik kortaf.
‘Maar het is heel eenvoudig!’ riep hij. ‘Ze zagen gewoon je voet eraf en plaatsen hem dan terug. Jij gaat er zoveel plezier van hebben.’
Maar ik wilde niet.
‘Toch gaat het je een hoop opleveren,’ drong hij aan.
Ik werd een beetje misselijk. Zette demonstratief mijn volle tas in de fietsbak. Probeerde daarmee een punt te zetten achter dit gesprek.
‘Waar de snee zit,’ begon hij weer, ‘wordt het bot dikker en daarmee maken ze je been langer. Dan ben je straks weer recht.’
‘Maar ik wil niet recht zijn, ik ben kro..
‘De verzekering vergoed het!’ Hij liet me geen enkele ruimte.
Ik haalde m’n fiets van het slot. Klooide met de tassen.
‘Zal ik je anders even naar huis brengen?’ Nu speelde hij die kaart. Ik was in zijn ogen vast hulpbehoevend met zo’n kort stompje been.
‘Je hebt zoveel bagage.’
‘Nee,’ zei ik. ‘Het gaat wel zo.’
En toen: of ik toch ècht geen hulp nodig had.
Nog een ‘nee’ was niet voldoende.
‘Het gebeurt onder verdoving, hoor. Van het zagen voel je niks!’
‘Nee Ronnie. IK- WIL-HET-NIET!
Nu glimlachte hij beleefd. Gooide zijn lange haar naar achter.

Ik fietste weg met één kort en één lang been. Het moet een raar gezicht geweest zijn, al weet ik: die ene centimeter korter maakt mij niet minder.

Hij zal de straat uit zijn gelopen op twee gelijke benen met in zijn hand de weekendtas. Wat zou daar toch in zitten? vroeg ik mij nog af, toen ik de bocht omsloeg. Misschien een zaag. Wie zal het zeggen?

Thuis aangekomen schonk ik nog een glas wijn in en legde mijn benen languit op de bank te rusten. Ook deze dag was toch voorbij gegaan.

Wendy

Op de avond van 15 oktober 1986, toen er alleen maar crap op tv was (Prijs je rijk met Fred Oster), besloot Wendy in een andere tijd te gaan leven. Een tijd waarin de buurtsuper een keten was. Een riante supermarkt, met zelfs Surinaamse- en halal producten, waarin je kon winkelen tot 22 uur. Een tijd waarin tijd een rol speelde. Geen ondankbare bijrol, maar de hoofdrol, waarin zij schaars was. Een tijd waarin kinderen zich verveelden achter game- computers, omdat ze niet geleerd hadden zich hangend in die schaarse tijd te vermaken met niks. Met oud papier, een schoenendoos, een lap stof met zeven knijpers. Om van dat niks weer iets te maken. Een hut, een krant, een bedje voor de Barbies.
Wendy stond op uit haar stoel en zapte met de afstandsbediening die haast niet in haar hand paste, het bakbeest van een televisie uit. Dag jaren tachtig, dacht ze dromend. Ze kamde met haar roze nagels haar permanentje naar achteren en wandelde de trap op naar de slaapkamer. Voor de garderobekast stond ze stil.
‘2022, nu!’ Met een snelle ruk trok Wendy de kastdeuren open.

Daar waar eerst haar driehoekige jaren tachtig colbert hing, prijkte nu een ’22 jas. Lichtgewicht, gewatteerd en al, met ritsen die aan twee kanten open konden. Wendy greep de jas en gleed erin alsof ze een kamer binnen glipte. Het jaar 2022 metoo-de om haar witte huid heen, die je in dit jaar niet blank meer noemde. Zip! De rits dicht en klaar was ze, voor haar grote avontuur. Ze rende de trap af, de hal in, pakte haar tas en opende de voordeur.
Een warme toekomst wind kwam haar tegemoet, die het geluid van een papegaai transporteerde. Papegaaien? Hier? Middenin de stad? Ze had geen tijd om bij dat geluid het juiste plaatje te zoeken. Het was tenslotte ‘22. Dan had je geen tijd. Dan had je haast. Dan moest alles efficiënt en snel.
Ze zocht naar een houding. Een bijpassend voertuig in de straat. Een gezicht waarop haar succes te lezen was. Een vleug Insta, een klodder LinkedIn, een snuf vegan en een kont, die door vijftig squats per dag de vorm had gekregen van Brazilië. Dat exotische oord, waar ze in de jaren tachtig alleen van had kunnen dromen. Waar in haar nieuwe nu, mensen zich zonder vliegschaamte binnen een dag naartoe lieten schieten, terwijl ze de verhitte aarde in de diepte onder zich ‘help!’ hoorden roepen. Nu alles binnen handbereik was in dit jaar, liep Wendy de straat maar op en neer en nog een keer. Wat anders kon ze doen? Het voelde wat onwennig. In de kamer van de buren hing een flatscreen.
‘Oorlog in Oekraïne’, las ze op het scherm.
Bij Wiebe op de hoek stond een zwarte glimmende auto, zo groot als een Kip Caravan. Wendy knipperde met haar ogen. Een elektrisch wagentje reed haar haast omver. Een Biró met daarin een asblonde dame met een Chihuahua. Wendy hoorde het apparaat niet. Binnen een half uur kreeg ze een kilo WhatsAppberichten, swipete ze haar wijsvinger lam en maakte 47 selfies. Na een kwartier naar de juiste smiley bij haar gevoel te zoeken, kreeg onze lieve Wendy slaap. Ze sjokte naar de overkant terug haar huis in, waar de huur haar, ineens torenhoog, kramp in haar portemonnee bezorgde.
‘Ik wil terug,’ appte ze een toekomstvriend. ‘Ik zie je misschien later weer.’ Ze perste er een zwaaiend handje uit in de juiste huidskleur, stopte snel nog wat duurzaamheidsinitiatieven in haar tas, Black Lives Matter, een regenboogvlag, een pak barista havermelk en een reep Tony’s Chocolonely met zeezout. Ze rende terug de trap op.
‘Weg 2022!’ riep Wendy, toen ze de garderobekast die een walk in closet was geworden opentrok. ‘Weg oorlog in Oekraïne! Weg CO2 uitstoot! Weg tijdgebrek en schermgebruik! Hallo jaren tachtig!’

Ze zette haar tas met schatten op de grond, hing de jas weer aan het knaapje en toen de deuren van de kast weer dicht vielen en zij zichzelf in de spiegel zag, stond daar een Frizzle Sizzle Fan van het eerste uur. Tegengekamd haar in een kuif. Miss Sporty kleuren op haar oogleden. Schoudervullingen tot aan haar oren.

‘Play!’ Wendy drukte op de knop van haar cassettedeck, greep een haarborstel uit het kastje naast haar bed en zong zich terug de tijd in.
‘Neem de tijd voor alle dingen, leef je eigen ri-hit-me!’
Toen ze haar lipstick de binnenkant van haar mond in had gezongen en haar maag ermee bekleed was, zakte Wendy neer op bed. Ze trok het rood wit gestreepte dekbed over zich heen, sliep, en bestond niet meer.

De volgende morgen toen Wendy wakker werd, pakte ze de tas met kostbaarheden, rende de trap af naar beneden door de achterdeur naar buiten. Hurkend op de klamme grond in het eerste ochtendlicht ritste ze de tas open en plantte ze een zaadje. Die dag begon alles opnieuw.

De verdwijnglijbaan

Geachte Burgemeester,

Toen ik vorige week de hond uitliet in het Vondelpark, ving ik, terwijl Belle haar behoefte deed, een paar door de lucht vliegende woorden op. Andere hondenbezitters spraken op het hondenveldje over ‘de verdwijn glijbaan’.

Ik had er al wel eens over gefantaseerd: stel je toch eens voor dat er een glijbaan zou bestaan, waar kinderen in gaan, maar nooit meer uitkomen.

Zie je het voor je? Tientallen ouders die hun kind in een buis proppen, alsof die weer het geboortekanaal in gaat. De gezichten van de vaders en moeders bij de uitgang van de attractie: eerst verbaasd om zich heen kijkend. Dan een blik van: nee dit kan niet. Hangt hier misschien een verborgen camera en komt Ralph Inbar zo uit de dood de glijbaan uit glijden? En dan de paniek in hun ogen: help! Hoe kan dit nou? De woede: hoe kan de gemeente hier in hemelsnaam toestemming voor hebben gegeven?! Enkele ouders die verontwaardigd op AT5 hun beklag doen:

‘Justus, ons zoontje van vier, ging er in op 15 maart. We hebben sindsdien nooit meer iets van de kleine man gehoord. Geen belletje, geen appje, geen tekening, niks. Hij is zomaar verdwenen in die glijbaan. En waarheen weet niemand.’

‘Valerie, onze dochter van zes werd op tweede kerstdag twee jaar geleden door de glijbaan opgeslokt. Elke keer als bij ons de bel gaat hopen wij dat zij het is. We doen geen oog dicht. Ze zou inmiddels een jaar of acht moeten zijn.’

Ik zag op het gezichtenboek al wel eens een foto van een glijbaan, waarvan het uiteinde een kaasschaaf was. Je kon je kind eraf laten glijden en ergens halverwege werd een dun plakje van de kleine afgeschaafd. Wat kunnen ze toch een hoop met Photoshop dacht ik nog.

Als dit echt zou bestaan, dan was het natuurlijk maar een klein reepje dat er per kind werd weggeschaafd. Meer niet. Je zou nog minstens negen-tiende van de kleine overhouden. Maar uren staan wachten bij een verdwijn glijbaan die blijkbaar niet gefotoshopt is, maar die werkelijk bestaat, dat is een ramp. Om uitgerekend door zo’n stomme attractie een heel kind te moeten missen, een kind dat je zelf gemaakt hebt, dat wens je niemand toe. Ik verzin dit niet mevrouw Halsema. Wat op het hondenveldje wordt verteld, gebeurt ook in het echt.

We zijn er, nadat ik erover hoorde, meteen maar even langsgelopen, Belle en ik. Nou en het was schrijnend om te zien: ouders in slaapzakken met jerrycans en thermoskannen. Sommigen sliepen er al weken, in de hoop dat hun kind toch nog juichend de buis weer uit zou glijden.

Ik heb dat ding eens goed bekeken. Mijn hoofd er even ingestoken. Ook Belle even laten snuffelen. Er was niks bijzonders te zien en onze hoofden kwamen er- zover ik dat kan beoordelen- als normale hoofden weer uit. Wat me wel opviel: er was nergens een plakkaatje met een telefoonnummer erop waar je naartoe kon bellen om een klacht in te dienen. En ik denk ook niet dat er een depot is waar je je dreumes even later op kan halen. Nee. ‘Je bent er echt vanaf en hebt er geen omkijken meer naar,’ heb ik sommige ouders dan ook weer horen zeggen, die hun drukke banen lastig te combineren vinden met een kind. Voor hen was het een bevrijding. Zij pakten hun oude hobby’s weer op, gingen weer eens samen uit, of sloegen weer eens een balletje. Maar voor velen is die verdwijn glijbaan het ergste wat hen overkomen kan.

Een filosoof in het A.D. zei: ‘De glijbaan is een metafoor voor het leven zèlf. We beginnen er allemaal aan en weten niet waar het toe leidt. Iedereen verdwijnt vroeg of laat.’

Goed opgemerkt, denk ik dan, maar het maakt het niet dragelijker.

Ik hoor u denken: waar brengt die glijbaan alle kinderen toch in hemelsnaam naar toe? Als ik dat geweten had burgemeester Halsema, dan had ik u niet geschreven. Ik schrijf je juist Femke, omdat ik het niet weet!

Mocht u van hoger burgemeester hand hierin iets kunnen betekenen, laat het ons dan weten. Ook als u niet weet wat te doen, maar misschien wel kanalen kent die we kunnen raadplegen, dan horen wij het graag.

Femke, u weet zelf wat het betekent om kind te zijn. Om liefde te ontvangen van uw ouders en het door te geven aan uw eigen kinderen. Maar als die doorgegeven liefde van het een op het andere moment in een metalen buis verdwijnt, daar kan geen mens mee leven. Zeg ik, die een hond heeft en geen kinderen.



Wanneer kan ik weg (lied)

Ik zit hier al 
Een halve zak drop
Te wachten op
Ik zit hier al drie flessen wijn

Zie je mijn haren
Hoe lang als die zijn
Zo lang zit ik al hier

Nog langer dan de langste trein
Nog langer dan giraffen zijn 
Nog langer dan het 
Invullen van het
Belastingformulier

Ik zit hier lang genoeg
Wanneer kan ik weg
Ik verstop me op mijn boterham
Onder het beleg

Wanneer kan
Wanneer kan 
Ik weg?

Als de gordijnen dicht zijn
De televisie uit
En mijn slaap is dieper
Dan de Middellandse Zee

Dan ben ik er zelf ook niet
Dan zijn we met z’n twee
Dan is de hele wereld weg
Weg ermee
Dan zijn we met z’n twee (8x, fade out)


Wat gebeurt er (lied uit Reineke Jonker Late Night)

Wat gebeurt er in een boek als niemand erin leest
Wat gebeurt er in de kast als niemand erin kijkt
Wat gebeurt er in de stad als niemand erop let
Wat gebeurt er met je poes als je een kater hebt

En jij
Hoe gaat het met jou

Wat gebeurt er in je bed als je muziek op zet
Wat gebeurt er met de straat als je de hoek om gaat
Wat gebeurt er met je dag als de nacht er is
Waarom ben jij toch van vlees en nooit een keer van vis

Ja jij
Hoe is het met jou

Wat gebeurt er in de grond als je begraven bent
Wat gebeurt er met de zee als niemand erin zwemt
Wat gebeurt er in je hart als je je liefde zendt
Wat gebeurt er in je hoofd als je nergens aan denkt

En jij hoe gaat het met jou
Ja jij hoe is het met jou
Met jou


Kom we gaan (lied uit Reineke Jonker Late Night)

In mijn witte pyjama
Duw ik de zon omhoog
Zet hem in de hemel
Boven de regenboog

En ik knip jou
Uit een
Stuk papier
Nu ben je hier
Nu ben je hier

In zevenhonderd bovenkamers
Is een kleine plek voor mij
Jij houdt heel je woning
Voor me vrij
Voor mij

In mijn witte witte pyjama
Trek ik de zon omlaag
Leg hem in de kelder
Het einde van vandaag

En ik plak jou
Dicht
Tegen mij aan
Kom we gaan
Kom we gaan

In zevenhonderd bovenkamers
Is een kleine plek voor mij
Jij houdt heel je woning
Voor me vrij
Voor mij

Kom we gaan
Kom we gaan


Weekend (lied Reineke Jonker Late Night)

Ik ben het weekend
Ik ben begonnen
Op Vrijdagmiddag
Om vijf uur

Ik zie jouw benen
Door wie zijn die verzonnen
Daarmee loop jij jouw weekend in

Doe dat rustig aan
Je zee van tijd is een oceaan
Doe het maar rustig aan
Jouw zee is een oceaan

Slaap maar
Een gat in m’n dag
Een deuk in je bed
Een droom in je flat

Dan geur ik
Jouw dagen met mij
Een bloem in je hand
Een deken van zij

Ik ben het weekend
Ik kom ten einde
Na twee dagen
hou ik op (Stilte…)

Doe jij maar rustig aan
Jouw zee van tijd is een oceaan
Doe nou maar rustig aan
Je zee is een oceaan


Twijfelaar

Een meneer van honderd jaar
Had een oude twijfelaar
Op zijn zolderkamer staan
Elke keer twijfelde hij
Of hij wel naar bed zou gaan
Ja, nee?
Nee, ja?
Met wie dan?
Hoe laat dan?
En wanneer?

Dubben dubben dubben dubben deed ie
Jaren verstreken
Het tapijt werd donkerbruin
Zijn baard vormde een deken

De meneer
Zei op een keer:
‘Zo gaat het niet langer meer
Ik zal nu nooit meer slapen
Ik leg me daar maar eens bij neer
En hij trok zijn schoenen uit
Stapte heel voorzichtig in de twijfelaar
De twijfelaar
En hij sliep